Kinderfysiotherapie

Wat is kinderfysiotherapie?
Kinderen leren spelenderwijs: door te bewegen en te spelen, ontdekken kinderen hun wereld en ontwikkelen zij hun zintuigen en motoriek.
Goed bewegen is belangrijk voor de ontwikkeling van het kind!
Bij sommige kinderen is sprake van een bewegingsprobleem. De ontwikkeling kan vertraagd, bedreigd of afwijkend zijn. Als kinderfysiotherapeut begeleiden wij kinderen met motorische problemen met als doel hen zo optimaal mogelijk te laten bewegen en te ontwikkelen.

Uiteraard vragen kinderen om een eigen benaderingswijze, aangepast aan het specifieke ontwikkelingsprofiel van het kind. Veel meer dan bij volwassenen hebben we te maken met een voortdurende verandering op basis van groei en ontwikkeling. Tijdens de kinderfysiotherapeutische behandeling speelt dit een centrale rol.

 

 

Wanneer kinderfysiotherapie?
Meestal is het de ouder/verzorger die zich ongerust maakt over de zintuiglijke en motorische ontwikkeling van zijn/haar kind. Neem dit gevoel serieus.
Ook de arts / verpleegkundige van het consultatiebureau of de schoolarts kunnen aangeven dat de ontwikkeling anders verloopt.

Leerkrachten hebben evenals ouders/verzorgers een belangrijke, signalerende taak. Problemen in het bewegend functioneren kunnen een negatieve invloed hebben op het zelfbeeld van het kind. Daarom is het van belang dat nauwkeurig wordt vastgesteld of de ontwikkeling wellicht vertraagd of afwijkend verloopt, zodat er een adequaat advies gegeven kan worden.

Een stelregel is: een “niet-pluis gevoel” is reden genoeg om een deskundige te raadplegen.
Immers het is van groot belang om vroegtijdig te beginnen met de juiste zorg, zodat een kind zich optimaal kan ontwikkelen.

Daarnaast kan een sportbegeleider zoals een voetbaltrainer, zweminstructeur of gymnastiekleraar het opvallen dat het aanleren van een motorische vaardigheid moeilijker is voor het kind in vergelijking met zijn leeftijdsgenootjes.

Sportende kinderen lopen regelmatig blessures op. Vooral jonge fanatieke sporters en kinderen tijdens een groeispurt zijn extra gevoelig voor blessures. Zij kunnen erdoor gehinderd worden in hun bewegen, sport en spel. Het is belangrijk dat bij deze blessures een goede fysiotherapeutische diagnose gesteld wordt, waarna advies en eventueel behandeling kan volgen. Daarna kunnen de sportactiviteiten, aangepast aan de lichamelijke ontwikkeling van het kind, weer opgebouwd worden. Hierdoor kan herhaling van blessures voorkomen worden.

 


Signalen en aandoeningen
Hier hebben we voorbeelden op een rijtje gezet van signalen, indicaties en aandoeningen waarbij kinderfysiotherapie zinvol kan zijn:

1. Baby's en peuters met een (dreigende) ontwikkelingsachterstand of ontwikkelingsstoornis
Kinderfysiotherapie kan zinvol zijn bij:

  • voorkeurshouding, asymmetrie, scheef of afgeplat hoofdje
  • huilbaby
  • trage motorische ontwikkeling
  • gespannen en/of te actieve baby, baby met strekneiging
  • slappe en/of te rustige baby
  • drink- of eetproblemen
  • zuigeling met KISS-syndroom
  • verschil in bewegen tussen linker en rechter lichaamshelft
  • verschil in bewegen tussen bovenste en onderste lichaamshelft
  • opvallende motoriek: billenschuiver, tenenloper
  • hersenbeschadiging
  • spina bifida (open rug)
  • pre-dysmatuur kind (te vroeg geboren en/of groeiachterstand voor geboorte)
  • plexus brachialis laesie of Erbse parese
    (beschadiging van zenuwen die vanuit de nek naar de arm lopen ontstaan bij de geboorte)
  • ademhalingsproblemen, astma, bronchitis
  • orthopedische problemen
  • mentale retardatie (achterstand in de verstandelijke ontwikkeling)

 

2. Voorkeurshouding bij zuigelingen en afplatting van het hoofd
Voorkeurshouding op zuigelingenleeftijd komt de laatste 15 jaar zeer frequent voor. Dit houdt verband met het advies om jonge baby’s op de rug te laten slapen (i.v.m. de veiligheid).
Als een baby een voorkeurshouding heeft houdt hij/zij het hoofd bijna altijd naar één kant gedraaid. Een voorkeurshouding kan de ontwikkeling van een baby nadelig ontwikkelen. Omdat de schedel van een baby tijdens de eerste levensmaanden van nature zacht is, kan het hoofd aan één kant afplatten en daardoor scheefgroeien. Een afplatting van de schedel wordt ook wel plagiocefalie genoemd.
Een mogelijkheid om de ernst van de afplatting te meten is de plagiocephalometrie.

Wat is plagiocephalometrie?
Plagiocephalometrie is een meetinstrument om de mate van scheefheid van het hoofdje objectief vast te stellen. Met behulp van de meting kan worden vastgesteld of verdere behandeling, bijvoorbeeld helmtherapie, noodzakelijk is. Ook vooruitgang of eventuele achteruitgang kan door meting worden vastgelegd.

Wanneer is het zinvol om te meten?
Zodra u merkt dat uw baby een voorkeurshouding ontwikkelt is het zinvol dit te melden bij uw arts. Adviezen kunnen helpen de voorkeurshouding te doorbreken. Als de voorkeurshouding niet te doorbreken is of als de adviezen niet helpen, is kinderfysiotherapeutische behandeling zinvol.
Meting van de afplatting is zinvol bij aanvang van de kinderfysiotherapie. (liefst zo jong mogelijk, leeftijd 2-3 maanden). Vervolgmeting kan eventueel bij 5 maanden om het effect van de behandeling te evalueren en om mogelijke indicatie voor helmtherapie vast te stellen.

3. Basisschoolkinderen en jongeren tot 16 jaar
Kinderfysiotherapie kan zinvol zijn bij:

  • motorische ontwikkelingsachterstand
    grove motoriek:
    -niet kunnen meekomen in de gymles en/of bij buiten spelen
    -houterig en stijf bewegen
    -slappe houding, moeite met langere tijd rechtop zitten
    -opvallend looppatroon
    -veel vallen en/of struikelen
    -onrustig, veel bewegen
    fijne motoriek:
    -niet willen tekenen, kleuren
    -niet goed kunnen knippen, plakken en/of bouwen
    -veel kleine ongelukjes zoals dingen omstoten, voorwerpen laten vallen
    -geen duidelijke handvoorkeur bij teken-/schrijftaken
    -schokkerige, niet vloeiende bewegingen
    -onvoldoende leesbaar handschrift, schrijfproblemen
    -tempo niet kunnen bijhouden bij schrijftaken
  • DCD, Development Coordination Disorder
  • sensorische integratieproblemen
  • ADD, ADHD en NLD
  • Pervasieve ontwikkelingsstoornissen zoals PDD-NOS, ASS
  • Jeugdreuma
  • Mentale retardatie (achterstand in de verstandelijke ontwikkeling)
  • Cerebrale parese
  • Sportletsels
  • Ademhalingsproblemen, astma, bronchitis, CARA
  • Orthopedische aandoeningen
  • Houdingsproblemen
  • Lichamelijke spanningsklachten als hoofdpijn, buikpijn, vermoeidheid zonder medische oorzaak
  • Pijnklachten in spieren en/of gewrichten
  • Zindelijkheidsproblemen

 

4. Kinderen met sensorische integratieproblemen (alle leeftijden)
Bewegen komt tot stand door een samenwerking van zintuigen en motoriek. Indien de werking van de zintuigen (senso) niet goed afgestemd is op de werking van de spieren (motoriek) heeft dit gevolgen voor het bewegen. Binnen de kinderfysiotherapie spreken we van een sensomotorische stoornis of een probleem in de sensorische integratie (s.i.probleem).

Een niet optimale samenwerking heeft invloed op het motorische gedrag. Bepaalde zintuigen kunnen over- of ondergevoelig reageren. Beiden hebben gevolgen voor het motorische gedrag.

Voorbeeld:

  • een overgevoeligheid van het evenwichtsorgaan kan angst om te klimmen veroorzaken.
  • overgevoeligheid van het tastzintuig geeft afweer bij knuffelen.

Een kinderfysiotherapeut kan de werking van de zintuigen onderzoeken en indien nodig behandelen.

Enkele voorbeelden van motorisch gedrag die kunnen wijzen op een sensorisch integratieprobleem:

  • het kind word angstig en/of gaat huilen als het bewogen wordt
  • het kind wil niet of nauwelijks van de ene naar de andere houding bewegen
  • het kind heeft last van onverklaarbaar huilen
  • het kind beweegt niet zoals verwacht bij aanraken, aankijken, geluidjes maken.
    Kind maakt weinig/geen oogcontact. Kind is niet graag op schoot.
  • het kind reageert met huilen en/of terugtrekken op onverwachte en/of nieuwe situaties
  • het kind vindt het vervelend om vieze handen te krijgen en/of heeft afkeer van spelen met bepaalde materialen zoals zand, vingerverf
  • gras en zand worden als akelig ervaren
  • het kind durft niet te schommelen
  • het kind kan moeilijk stilzitten
  • bewegingen worden te hard of te zacht uitgevoerd
  • het kind is snel vermoeid
  • het kind loopt stampend
  • een ‘allesdurver’ en geen gevaar kennende peuter/kleuter
  • een angstige niet ondernemende peuter/kleuter

 

 

Onderzoek en behandeling

Wat doet de kinderfysiotherapeut?
Het onderzoek
Als een kind bij ons wordt aangemeld, vindt een kort intakegesprek plaats met de ouder/verzorger.
Het doel van dit gesprek is om de hulpvraag duidelijk te krijgen.
Vervolgens wordt een afspraak gemaakt voor een onderzoek. Dit onderzoek bestaat uit observaties en testen op het gebied van

  • de kwantiteit van de motoriek
    (welke motorische activiteiten beheerst een kind in vergelijking tot leeftijdgenoten)
  • de kwaliteit van de motoriek
    (hoe ziet de manier waarop het kind beweegt eruit)

Uit de testen komen resultaten. De bevindingen worden met de ouders/verzorgers besproken. Vaak wordt hiervoor een aparte afspraak gemaakt.
Tijdens dit evaluatiegesprek wordt een behandelplan gemaakt waarin behandeldoelen en evaluatiemomenten worden afgesproken.
Het is gebruikelijk dat de verwijzend arts en andere bij het kind betrokken behandelaars hierover schriftelijk worden geïnformeerd.

De behandeling
Kinderen leren spelenderwijs.
Tijdens de behandeling zal het kind zoveel mogelijk spelenderwijs gestimuleerd worden om nieuwe motorische uitdagingen aan te gaan en daardoor zijn motorische vaardigheden uit te breiden.
Vaak worden er tips en adviezen gegeven die thuis, op school of tijdens sport kunnen worden ingebouwd. Hiervoor vragen wij ouders/verzorgers om zoveel mogelijk bij de behandelingen aanwezig te zijn.
Als kinderen alleen komen worden ouders/verzorgers uiteraard op de hoogte gehouden van de ontwikkelingen en de afspraken.
De duur van de behandeling is mede afhankelijk van de beperkingen en de mogelijkheden van het kind en de hulpvraag.