Signalen en aandoeningen

Kinderen met sensorische integratieproblemen (alle leeftijden)
Bewegen komt tot stand door een samenwerking van zintuigen en motoriek. Indien de werking van de zintuigen (senso) niet goed afgestemd is op de werking van de spieren (motoriek) heeft dit gevolgen voor het bewegen. Binnen de kinderfysiotherapie spreken we van een sensomotorische stoornis of een probleem in de sensorische integratie (s.i.probleem).

Een niet optimale samenwerking heeft invloed op het motorische gedrag. Bepaalde zintuigen kunnen over- of ondergevoelig reageren. Beiden hebben gevolgen voor het motorische gedrag.

Voorbeeld:

  • een overgevoeligheid van het evenwichtsorgaan kan angst om te klimmen veroorzaken.
  • overgevoeligheid van het tastzintuig geeft afweer bij knuffelen.

Een kinderfysiotherapeut kan de werking van de zintuigen onderzoeken en indien nodig behandelen.

Enkele voorbeelden van motorisch gedrag die kunnen wijzen op een sensorisch integratieprobleem:

  • het kind word angstig en/of gaat huilen als het bewogen wordt
  • het kind wil niet of nauwelijks van de ene naar de andere houding bewegen
  • het kind heeft last van onverklaarbaar huilen
  • het kind beweegt niet zoals verwacht bij aanraken, aankijken, geluidjes maken.
    Kind maakt weinig/geen oogcontact. Kind is niet graag op schoot.
  • het kind reageert met huilen en/of terugtrekken op onverwachte en/of nieuwe situaties
  • het kind vindt het vervelend om vieze handen te krijgen en/of heeft afkeer van spelen met bepaalde materialen zoals zand, vingerverf
  • gras en zand worden als akelig ervaren
  • het kind durft niet te schommelen
  • het kind kan moeilijk stilzitten
  • bewegingen worden te hard of te zacht uitgevoerd
  • het kind is snel vermoeid
  • het kind loopt stampend
  • een ‘allesdurver’ en geen gevaar kennende peuter/kleuter
  • een angstige niet ondernemende peuter/kleuter